Amin Abou R. vrijgesproken van financiering Hamas: 'We gaan mensen niet veroordelen op wat er in de krant staat'

woensdag, 27 mei 2026 (16:22) - RTV Rijnmond

In dit artikel:

De Rotterdamse rechtbank heeft Amin Abou R. (58) vrijgesproken van de belangrijkste aanklacht dat hij Hamas heeft gefinancierd. Volgens het oordeel van de rechters ontbreekt overtuigend bewijs dat de overgemaakte gelden voor weeskinderen daadwerkelijk bij Hamas zijn terechtgekomen.

Het Openbaar Ministerie had flink zwaarder ingezet en eiste vier jaar gevangenisstraf (waarvan één jaar voorwaardelijk). De rechtbank legde wel een straf op voor het voortzetten van de verboden organisatie Al Aqsa binnen de stichting Israa, die eveneens in Rotterdam was gevestigd: zes maanden cel, volledig voorwaardelijk. Dat betekent dat Abou R. niet daadwerkelijk de gevangenis in hoeft. De vermeende verzending van zo’n acht miljoen euro naar de Mercy Association for Children (MAC) en de Islamic National Bank vormde de kern van het OM-onderzoek, maar de rechtbank vond daarvoor geen sluitend bewijs.

De rechter kritiseerde de bewijsvoering, met name de afhankelijkheid van verklaringen van een Midden-Oosten-deskundige (Sandee) die zich op pers- en inlichtingendocumenten uit landen in conflictzone baseerde. Zulke bronnen mogen niet zonder aanvullende, onafhankelijke feiten de doorslag geven, aldus de rechtbank. Voor de Islamic National Bank werd vastgesteld dat die door Hamas werd gecontroleerd, maar er is volgens de rechtbank geen bewijs dat Abou R. daarvan op de hoogte was of met opzet Hamas wilde versterken.

Tegelijk ziet de rechtbank aanwijzingen dat Abou R. sympathisant van Hamas is: hij werd als VIP ontvangen bij een bijeenkomst van de beweging en stond op de foto met de later gedode Hamas-leider Haniyeh. Verder concludeert de rechtbank dat hij tussen 2003 en 2011 via Israa op geraffineerde wijze manieren vond om Europese sancties te omzeilen en dat hij in die periode feitelijk leiding aan die organisatie gaf; dat vormt de grond voor zijn veroordeling.

De straf werd vanwege het tijdsverloop (de feiten dateren grotendeels uit 2011 of eerder) geheel voorwaardelijk gehouden. Na de uitspraak werd Abou R. door een groep Palestijnse activisten in de rechtszaal toegejuicht; zij hadden onder meer een Palestijnse vlag en koekjes meegenomen. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie kunnen nog in hoger beroep.