Amin ontkent financiering Hamas vanuit Rotterdam: 'Ik steunde weeskinderen in veel landen'
In dit artikel:
Amin Abou R., een 58‑jarige Nederlander van Libanese afkomst die 34 jaar geleden naar Nederland kwam, staat in Rotterdam terecht op verdenking van het doorsluizen van ruim acht miljoen euro naar Hamas. In de rechtszaal droeg hij een speldje met “Free Palestine” en pakte hij zijn gebedssnoer; hij zegt dat zijn werk puur humanitair is en zich richt op hulp aan met name weeskinderen in onder meer Libanon, Jordanië, Noord‑Syrië, Turkije, Egypte, de Westelijke Jordaanoever en Gaza.
Het Openbaar Ministerie (OM) stelt dat het geld vanaf 2010 via de Rotterdamse stichting Israa — een vermeende voortzetting van de eerder verboden stichting Al Aqsa — bij Hamas terechtkwam. Volgens het OM was Abou R. de feitelijke motor achter Israa: hij zou bestuursvergaderingen hebben bijgewoond, boekingen hebben geregeld en als schakel hebben gefungeerd tussen donoren en Gaza. Ook wijzen aanklagers op telefonisch contact met personen van Hamas en bewijsstukken die wijzen op directe betrokkenheid bij Israa. Het OM betwijfelt daarnaast of de giften werkelijk bij weeskinderen terechtkwamen of dat een deel bij familieleden van Hamas belandde. De officier van justitie eist vier jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk.
Abou R. ontkent de beschuldigingen. Hij benadrukt steeds dat zijn motief humanitair was en dat hij geen lid of aanhanger van Hamas is. Hij verklaart dat zijn betrokkenheid bij Israa beperkt en adviserend was en dat hij geen directe verantwoordelijkheid voor financiële transacties droeg. Specifieke aanwijzingen — zoals een profielfoto met de voormalige Hamasleider Haniyeh, zijn aanwezigheid bij het 25‑jarig bestaan van Hamas en een foto met een groene pet — verklaart hij door korte momenten, culturele of religieuze verklaringen (groen als kleur van de islam) of praktischheidsargumenten (hij zou geen computer gebruiken; boekingen zouden door zijn dochter zijn gedaan). Ook de verklaring van een voormalig penningmeester die hem als “baas” van Israa typeerde betwist hij.
De rechtbank voerde meerdere concrete stellingen van het OM op om het vermeende verband met Hamas te onderbouwen; Abou R. probeert al die punten te pareren en benadrukt zijn humanitaire inzet. De verdediging spreekt nog in het proces; een uitspraak van de rechtbank is nog niet gepland. Ter context: financiering van een door de EU als terroristische organisatie aangemerkte groepering als Hamas is strafbaar en leidde eerder tot het verbod op organisaties als Al Aqsa.