In deze gemeente bepalen politieke partijen samen het beleid: 'Dit kan de Tweede Kamer ook'
In dit artikel:
In Zwijndrecht werken alle politieke partijen sinds 2010 samen in een gezamenlijk raadsprogramma, het zogenoemde “Zwijndrechts model”, waarbij coalitie en oppositie niet langer tegenover elkaar staan. De omslag ontstond na de gemeenteraadsverkiezingen van 2010, toen lokale partij Algemeen Belang Zwijndrecht (ABZ) en de VVD de grootste fracties werden en hun voorzitters Fred Loos (ABZ) en Elbert Vissers (VVD) besloten een andere koers te kiezen: één raadsbreed akkoord dat de kaders voor beleid vastlegt en door een college van burgemeester en wethouders uitgevoerd wordt.
Het onderscheidende element is dat wethouders worden benoemd op basis van ervaring en vakinhoudelijke binding, niet primair vanwege hun partijkaart. Daardoor kreeg Zwijndrecht zelfs een PvdA-wethouder terwijl die partij bij de verkiezingen had verloren. Het raadsprogramma vervangt het traditionele coalitieakkoord en wordt in de openbare raadsvergadering tot stand gebracht, zodat debatten en tegenargumenten zichtbaar zijn voor kiezers en achterkamertjespolitiek wordt beperkt.
Het idee van raadsprogramma’s bestond al eerder (eerste voorbeelden rond 2006) en werd sindsdien door tientallen andere gemeenten overgenomen; onderzoek uit 2018 telde 56 gemeenten met een raadsprogramma, waarvan in veertig gevallen alle partijen het steunden. Zwijndrecht bleef na 2010 trouw aan het model: ook in 2014, 2018 en 2022 werd dezelfde werkwijze gevolgd en de gemeente fungeert inmiddels als praktijkvoorbeeld voor anderen. Loos werd uitgenodigd om het model toe te lichten bij de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden.
Voorstanders binnen Zwijndrecht wijzen op voordelen: bredere politieke betrokkenheid, meer zichtbare en inhoudelijke discussies in de raad en concrete beleidswinst voor kleinere partijen. Lia Prins (lijsttrekker GroenLinks-PvdA Zwijndrecht), die vier jaar geleden nieuw in de raad kwam, geeft aan dat haar partij dankzij deelname aan het raadsprogramma hun prioriteit op betaalbare woningen kon binnenbrengen — iets wat in een klassieke coalitie-oppositieverhouding wellicht niet was gelukt.
Tegelijk kent het model ook beperkingen. Omdat de raad zelf ‘oppositie’ vormt wanneer het college beleidsplannen moet controleren, ontbreekt er soms een scherp onderscheid tussen uitvoerende en controlerende rollen. Bovendien zouden wethouders idealiter partijloos moeten zijn; in de praktijk blijven bijna alle wethouders partijgebonden, wat kan leiden tot informatievoordeel voor hun eigen partij. Ook moet de raad waakzaam blijven dat collegeplannen daadwerkelijk voortvloeien uit het raadsprogramma en niet uit eigen improvisatie.
Loos verwacht dat Zwijndrecht doorgaat met nieuwe edities van het programma — hij refereert aan opvolgers als ‘Krachtig Zwijndrecht 2.0’ en voorziet binnenkort een derde versie — en ziet het model als een democratisch gezonder proces, waar macht delen geen bedreiging maar juist versterking van de lokale democratie is. Of het raamwerk ook landelijk toepasbaar is, blijft onzeker: het werkt makkelijker in kleinere gemeenschappen zonder extreme partijen en met relatief overlap tussen lokale verkiezingsprogramma’s.