Na 65 jaar in de muziek brengt Lee Towers een boek uit: 'De eerste keer dat ik het las, was emotioneel'

zondag, 8 november 2026 (08:37) - RTV Rijnmond

In dit artikel:

De Rotterdamse zanger Lee Towers presenteerde eerder deze week zijn biografie *Lee Towers: Geloof in je dromen*. De 80-jarige artiest blikt daarin terug op 65 jaar in de muziekindustrie, 46 albums en 51 uitverkochte concerten in Ahoy. Journalist en vriend Louis du Moulin schreef het boek samen met Towers, die al lange tijd met het idee voor een biografie rondliep.

Het lezen van het levensverhaal was voor Towers emotioneel. Naast zijn grote successen komen ook ingrijpende gebeurtenissen aan bod, zoals het overlijden van zijn schoondochter en jongste broer, die kort na elkaar verongelukten. De biografie laat bovendien zien hoe bijzonder zijn loopbaan is gezien zijn jeugd in een arm arbeidersgezin in Ridderkerk. Als kind had hij twee krantenwijken en was er geen geld voor bijvoorbeeld Feyenoordkaartjes. Daarom luisterde hij buiten het stadion naar het gejuich en liep hij na afloop met supporters mee.

Towers schrijft zijn doorbraak toe aan talent, doorzettingsvermogen en de overlevingsmentaliteit die hij van huis uit meekreeg. De belangrijkste boodschap van het boek is volgens hem dat talent alleen niet genoeg is: succes vraagt ook hard werken en volhouden. Daarbij bleef hij zijn afkomst niet vergeten. Omdat hij vroeger merkte dat mensen op armoede neerkeken, probeert hij iedereen die hij ontmoet persoonlijk een hand te geven.

Ondanks zijn langdurige succes voelt Towers zich vooral dankbaar en bevoorrecht. Hij benadrukt dat roem kwetsbaar en tijdelijk is, zeker wanneer ziekte en verlies mensen in de omgeving raken. Zijn grootste trots ligt daarom niet alleen bij zijn carrière, maar ook bij zijn gezin: zijn vrouw Laura, vier kinderen, elf kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. Een familiefoto in het boek noemt hij dan ook het mooiste beeld uit de biografie.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen: 'Ik keek donderdag een beetje verbaasd op van Jort Kelder...'