Tuin met drie doodskisten: patholoog Frank van de Goot is geïntrigeerd door de dood
In dit artikel:
In de tuin van forensisch patholoog Frank van de Goot in Baarn staan geen bloemperken maar drie Amerikaanse sierlijke lijkkisten — souvenirs van overleden Europeanen die in de VS zijn gestorven en per kist naar huis werden gebracht. Een vierde kist fungeert als voorraadkast. Deze verrassende inrichting weerspiegelt de ongebruikelijke omgang met de dood die Van de Goot in huis brengt en die ook het onderwerp is van zijn boek Post Mortem.
Het pronkstuk van zijn collectie is een ‘beenlamp’: een geamputeerd onderbeen van Leo Bonten dat Van de Goot, na een verzoek van Bonten zelf (“Mijn been is eraf en ik wil dat jij er een lamp van maakt”), samen met een kunstenaar heeft ingebracht in een cilinder met preparatievloeistof. Toen Bonten later overleed, belde diens zus Van de Goot en het object kwam in diens kantoor terecht. De lamp werkt nog; aanvankelijke terughoudendheid van een orthopeed werd uiteindelijk doorbroken met instemming van de medisch ethicus.
Post Mortem schetst Van de Goots levensloop en carrière: van LTS naar laboratoriumschool, de vroege fascinatie voor dode lichamen (hij raakte niet misselijk bij zijn eerste sectie) en de rol van autisme in zijn werk; hij noemt zichzelf “een hoog functionerend autist” en ziet dat als een beroepsmatige kracht. Hij werkte voor het Nederlands Forensisch Instituut, startte een eigen praktijk en is nu verbonden aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau. In 2016 kreeg hij een eigen televisieprogramma, Doden Liegen Niet.
Veel spraakmakende zaken komen in het boek voorbij. Van de Goot beschrijft het onderzoek naar losse lichaamsdelen uit de Nieuwe Maas, waarmee hij moest bepalen of ze bij elkaar hoorden — het dossier van de 12-jarige Géssica, het ‘Maasmeisje’, die door haar vader werd vermoord en in stukken gesneden. Hij legt uit hoe technische details, zoals zaagsporen, helpen vaststellen welk gereedschap is gebruikt en of een lichaam in delen is gezaagd om het vervoer te vergemakkelijken. Van de Goot bewaart ook replica’s en preparaten: het kleihoofd van Rowena Rikkers (het Meisje van Nulde) ligt bij hem, en hij vermeldt dat hij binnenkort twee halve hoofden van een Haags museum krijgt die ooit werden verhandeld in een ‘hoofdenaffaire’.
Zijn werk strekt zich internationaal uit: hij gaf een second opinion in de zaak van Ivana Smit in Maleisië en trok in 2015 naar Panama rond de vermissing van Kris Kremers en Lisanne Froon. Voor de vermiste Yorian Kooiman zocht hij in de Zwitserse bergen en vermoedt dat hij kort bij de vindplaats heeft gestaan. Praktische reconstructies en proeven met studenten — het nadoen van steek- of valscenario’s in schuurtjes en met materialen uit de bouwmarkt — vormen een vaste methode in zijn onderwijs en onderzoek.
Persoonlijke verhalen mengen zich met het forensische: zijn moeder, liefdevol ‘moedertje-moedertje’ genoemd, fungeerde vaak als gastvrouw tijdens experimenten. Na haar overlijden voerde hij zelf een sectie uit om op hartafwijkingen te testen; hij verbrandde een deel van haar hart in een zelfgebouwde oven, verdeelde de as in drie porties (een deel ging mee in de kist, een deel begraven bij een Engelse soldaat waar zij ooit verliefd op was) en liet een derde portie inkt-mixen voor een tatoeage van haar gezicht op zijn schouderblad.
Over zijn eigen sterven heeft Van de Goot twee wensen: dat mensen niet meteen weten dat hij dood is — “Laat iedereen nog bellen” — en dat hij niet ter beschikking wordt gesteld aan de wetenschap; hij wil verbrand worden. Zijn as wil hij uitstrooien bij een waterval in Schruns (Oostenrijk), zodat die via lokale rivieren uiteindelijk de Rijn en de Noordzee bereikt — een symbolische stroom naar huis.
Het portret dat uit het boek en de anekdotes naar voren komt, is van een excentrieke maar bedreven forensisch arts die de grenzen tussen wetenschap, moraal en persoonlijke rituelen opzoekt en soms overschrijdt, met humor, technische precisie en een eigenzinnige omgang met rouw en herdenking.