Duizenden bevers zorgen voor schade: 'Nuttig dier, maar ze zitten op plekken waar we ze niet willen hebben'
In dit artikel:
De Europese bever is in Nederland terug van weggeweest: 200 jaar nadat het dier in 1826 uitstierf, zijn de populaties sinds herintroducties in de jaren tachtig en negentig sterk gegroeid. In het werkgebied van waterschap Hollandse Delta — waaronder Voorne‑Putten, Goeree‑Overflakkee, Rotterdam‑IJsselmonde, Dordrecht en Hoeksche Waard — gaat het volgens bevercoördinator Jan van der Baan inmiddels om ongeveer drie duizend dieren. De herkomst van die heropleving ligt onder meer in herplaatsingen in gebieden zoals de Biesbosch en in de verminderde vervuiling van wateren.
De terugkeer van de bever biedt ecologische winst: als bomen door knagen in het water belanden ontstaan nieuwe microhabitats voor vissen, libellen en planten. Zoals Van der Baan zegt: “Het is een heel nuttig dier voor de biodiversiteit.” Tegelijkertijd zorgt de sterke groei ook voor problemen. Beveractiviteiten leiden tot beschadiging van keringen, dijken, wegen en oevers; tunnels die bevers in waterkeringen graven kunnen de overstromingsveiligheid in gevaar brengen en hoge herstelkosten veroorzaken.
Beperkingen volgen uit de beschermde status van de soort. Waterschappen mogen vooral preventieve maatregelen toepassen (zoals gaas) en alleen ingrijpen wanneer er acuut gevaar is; verplaatsen van dieren is lastig doordat territoriale conflicten optreden. Van der Baan pleit daarom voor een beheerplan dat gericht toestaan van afschot mogelijk maakt op plekken met veiligheidsrisico’s, maar voorziet dat politieke besluitvorming dit nog minstens een jaar kan vertragen.