Veroordelingen voor oliefraude in de haven, maar niemand hoeft de cel in
In dit artikel:
Vier mannen zijn door de rechtbank schuldig bevonden aan oliefraude in de haven van Rotterdam, maar kregen geen gevangenisstraf omdat er onvoldoende bewijs is dat zij doelbewust meewerkten aan de verkoop van nep-olie. De zaak draait om een transactie van twee miljoen vaten olie van Shell ter waarde van 155 miljoen dollar; op een filmpje uit mei 2021 zijn een man in Shell-oranje en twee inspecteurs te zien bij de Shell-terminal in Pernis terwijl er monsters worden genomen. De koper werd wantrouwig, waarna onderzoek uitwees dat de monster- en analyserapporten vals waren en op meerdere punten onnauwkeurig of onlogisch opgesteld, en dat er geen toestemming was gegeven om op het terrein rond te lopen.
De rechtbank oordeelde dat er valsheid in geschrifte is gepleegd (oliefraude), maar vond geen direct bewijs dat de verdachten op dat moment bewust hadden gepland de koper op te lichten: er was geen direct contact met de klant via telefoon of e-mail aangetoond. De rechtbank benadrukte wel dat het delict ernstig is: het schaadt vertrouwen in analyserapporten, de logistieke olieketen en reputaties van partijen zoals Shell en de haven.
Twee inspecteurs kregen een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke celstraf van drie maanden, plus terugbetaling van respectievelijk €94.000 en €44.000. Een andere inspecteur en de zogenaamde ‘Shell-man’ kregen elk 140 uur taakstraf en een voorwaardelijke celstraf van één maand. Een vijfde verdachte, die volgens het OM wel rechtstreeks contact zou hebben gehad met de klant, wordt later berecht. Het Openbaar Ministerie waarschuwt dat dit soort manipulaties een groeiend probleem vormen in de Rotterdamse oliehandel.