Walter (78) werkt al 50 jaar als suppoost bij Feyenoord: 'Iedereen binnen de club kent mij'
In dit artikel:
Walter Arlaud (78) verhuisde in 1969 van Suriname naar Rotterdam en werd onmiddellijk fan van Feyenoord. Acht jaar later, in 1976, reageerde hij op een oproep in het stadion en begon hij als suppoost (steward) bij De Kuip; die bijbaan zou vijftig jaar later nog altijd onderdeel van zijn leven zijn. Vorige week werd hij door de stadionclub en collega’s verrast en in het zonnetje gezet voor zijn halve-eeuwdienstverband.
Zijn leven is een aaneenschakeling van clubherinneringen: vanaf de tribunes beleefde hij het landskampioenschap en het Europacupsucces van direct na zijn komst, liep hij uitwedstrijden mee in Dortmund en Amsterdam, en maakte hij reizen mee met het Nederlands Elftal naar onder meer Wembley. Hij sprak persoonlijk met bekende namen als Johan Cruijff, Robin van Persie, Giovanni van Bronckhorst, Bennie Wijnstekers en Johan Boskamp; oud-speler Willem van Hanegem feliciteerde hem recent nog in de gang. Ook anekdotes krijgen ruimte, zoals de blije chaos rondom Mike Obiku’s late doelpunt in een KNVB-bekerwedstrijd en het wegvluchten uit Dortmund toen Duitse supporters zich agressief gedroegen.
Berustend op plichtsbesef benadrukt Walter de grenzen van zijn rol: suppoosten proberen rust te brengen, maar grijpen niet fysiek in bij geweld — dat is de taak van de politie. Vroeger gingen suppoosten vaker mee naar uitwedstrijden; tegenwoordig werkt hij rustiger en voornamelijk in de Business Unit van het Maasgebouw bij De Kuip. Hij bleef zijn hele carrière ook gewoon elektromonteur tot zijn pensioen; de stewardfunctie was een 0-urenbijbaan die hij combineerde met een voltijdse baan. Zijn vroegere baas, een Ajacied, keek daar niet altijd blij op, maar de club heeft hem altijd goed behandeld.
Tegenwoordig beperkt een nieuwe knie zijn inzet: hij loopt minder rond en staat normaal gesproken op één locatie, maar wanneer nodig staat hij nog steeds klaar — “het blijft toch je cluppie, hè,” zegt hij. Feyenoord’s cultuur om iconen te eren, niet alleen spelers maar ook verzorgers en aanhang, komt in zijn verhaal terug; Walter zelf is daarvan één van de levende getuigen. Zijn verhaal illustreert hoe clubtrouw, kleine rituelen en persoonlijke betrokkenheid samen de identiteit van een voetbalclub kunnen vormen.